eigen foto
Karl 4/2025: Aussenseiter
Karl is een atypisch schaaktijdschrift. Je vindt er geen actualiteit, eerder het omgekeerde: men keert vaak naar het verleden terug om één of ander onbekend feit te duiden.Dat is niet de belangrijkste insteek van het magazine: elk nummer is een themanummer, en de thema’s kunnen zeer uiteenlopend zijn. Het jongste nummer (4/2025) dat ik tijdens een kerstmarktuitje op de kop kon tikken, had als thema “Aussenseiter”, wat vertaald kan worden als buitenstaander, maar het Engelse “outsider” benadert beter de betekenis hier. Het gaat om onverwachte partijresultaten in een tornooi (in dat opzicht zou je ook het Engelse “outlier” (een statistisch uitzonderlijke gebeurtenis) hier mee in bad trekken).
Dan gaat het niet over zomaar een gewone uitglijder van de sterkste speler, maar eerder een focus op verlies- of remisepartijen van tornooileiders (in gesloten tornooien) tegen rode lantaarns of duidelijk zwakkere spelers.
Wie Donner heeft gelezen, zal meteen zich in deze context meteen de partij Gilberto Garcia tegen Boris Ivkov uit Havana 1965 voor de geest halen. Ivkov stond aan de leiding in het tornooi een paar ronden voor het einde, en moest enkel nog het verplichte punt tegen de rode lantaarn scoren. Hij stond gewonnen in de partij, tot hij een dodelijke matdreiging op de lange diagonaal toeliet. Smyslov won het tornooi met een half punt voorsprong op Ivkov.
Je vindt al snel tornooitabellen waar de nummer één, twee of drie een half punt of zelfs een vol punt moesten afstaan aan tail-enders, wat een significante impact had op de ereplaatsen. Zo verloor Tal de tweede Capablanca Memorial door een zeer gelijkaardig verlies tegen Ivan Calero, die zelfs met dat extra punt van Tal nog altijd laatste eindigde.
Karl geeft diverse voorbeelden, sommige kende ik al, andere waren nieuw voor mij. Karl geeft als speler die opvallend vaak hierover struikelde, Lajos Portisch aan, met als illustrerende partijen Portisch-Allan, IZT Szirak 1987, Portisch-German, IZT Stockholm 1962, Aaron-Portisch, IZT Stockholm 1962 en Portisch-Jimenez, IZT Palma de Mallorca 1970. Tja, als je op dat niveau zo’n verzameling bij elkaar speelt, dan is er blijkbaar wel iets aan de hand.
In Portisch-Allan raakt Portisch zijn openingsvoordeel rond zet 20 kwijt, en loopt dan in een koningsaanval, die hij met hangen en wurgen kan afwenden.
Portisch staat hier niet alleen; zelfs de ultrastabiele Botvinnik moest ooit zo’n nederlaag slikken: in het NK USSR van 1931 verloor hij van Sozin, die met 5,5/17 derde laatste eindigde. Gelukkig voor Botvinnik won hij wel het tornooi met overmacht: 13,5/17, twee volle punten voorsprong op Riumin. Ook Kasparov heeft soms zo’n momentje gehad: in de World Cup van Barcelona speelde Ljubojevic de pannen van het dak, en moest Kasparov zijn beste schaak boven halen om toch nipt (op scheidingspunten) het tornooi te winnen. Daar hielp zijn remise tegen Jesus Nogueiras (laatste met 5,5/16) zeker niet bij. Ook de befaamde instorting van Karpov in het World Cup tornooi van Rotterdam (drie opeenvolgende nederlagen tegen Nunn, Salov en Ljubojevic (gedeeld voorlaatste met 6/14) kunnen we in dit rijtje zetten. Maar Karl had een andere Karpov-partij in gedachten – eentje die in Duitsland wel bekend is, maar niet daarbuiten.
In het cat 8 Mephisto-tornooi van Hannover 1983 won Karpov wel met 11/15, een halfje voor Giorgadze en een punt voor op Balashov, maar hij maakte het zich wel moeilijk, door tegen rode lantaarn Wolfram Hartmann te verliezen. Soltis vraagt zich in het boek “David vs Goliath Chess” af hoe Hartmann Karpov kon verslaan – het antwoord: door hem uit zijn comfortzone te halen en hem een stellingstype voor te schotelen, dat hij normaal niet tegen kreeg. Toevallig zag ik dat er een ander boek bestaat met quasi dezelfde titel, nl van Peter Zhdanov (uitgever Euroschach.de). Je vindt het boek makkelijk hier. Je vindt er een sample met de partijen Karlsson-Tal (Skara 1980) en Karpov-Hartmann (Hannover 1983) en het begin van nog zo'n bekende David-overwinning: Anand-Touzane (WK Moskou 2001).
Dichter bij huis vind je ook zo’n nederlagen – een van de meest spectaculaire in dat verband was de score-opbouw van Prins in het 10de Hoogovens tornooi. Hier behaalde Prins ondanks twee nederlagen tegen de laatste drie in de stand (!) toch de overwinning.
Zelf maak ik het ook mee – in open tornooien verlies ik vaak in de laatste ronde, maar ik herinner me nog goed hoe ik blitzkampioen van Izegem werd (met deelname van zowat alle goede spelers van Izscha), en met voorsprong de laatste ronde in ging, om dan te verliezen van voorzitter Tarcis Deprez (toen circa 1700 elo). Ook in het huidige kampioenschap van Brasschaat heb ik tweemaal remise moeten toestaan tegen de twee laatsten in de stand. En daar mocht ik zelfs nog blij mee zijn. De oorzaak: beide spelers hebben een stevig, maar niet ambitieus openingsrepertoire, een noot die ik moeilijk te kraken vind. Het was dus geen onderschatting, maar gewoon niet in mijn speltype kunnen komen. Ook dat is dus een wapen in het arsenaal van de schaker: probeer stellingen te krijgen die jij wel aan kan, maar je tegenstander niet.